De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verlaagt de maximumtarieven in de ggz

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verlaagt de maximumtarieven in de ggz

29-08-2019 Print

Naar aanleiding van het recent uitgebrachte eindrapport van het kostenonderzoek dalen in de gespecialiseerde ggz (g-ggz) de tarieven voor verblijf met 3,4% en voor behandeling met gemiddeld 0,7%. De tarieven voor de generalistische basis ggz (gb-ggz) dalen met 1%. Ook de maximumtarieven voor forensische zorg zijn gedaald, respectievelijk 2,1% voor verblijf, 5,5% voor behandeling en 22,6% voor verslavingszorg. De LVVP heeft forse kritiek op de inhoud van het onderzoek.

 

Het waarom en het hoe van een kostenonderzoek
Naast het houden van toezicht en het opstellen en handhaven van beleidsregels, heeft de NZa als taak en verantwoordelijkheid het vaststellen van tarieven.
De vaststelling van de tarieven voor 2014 en 2015 leidde destijds tot een juridisch geschil tussen verzekeraars en de NZa. Dat heeft ervoor gezorgd dat de NZa nu veel aandacht heeft besteed aan de opbouw van de nieuwe tarieven. De nieuwe tarieven zijn deels op normatieve wijze bepaald en voor het overige gebaseerd op de uitgevraagde kostprijzen. Om een representatief beeld te krijgen, is bij een groot aantal zorgaanbieders informatie opgehaald.

 

De opzet van het kostenonderzoek
Voor het kostenonderzoek leverden ruim 800 zorgaanbieders (vrijgevestigden en instellingen) verplicht hun gegevens aan over het jaar 2017. Bij deze uitvraag is onderscheid gemaakt tussen vier strata: vrijgevestigden, instellingen, PUK en PAAZ, en forensische zorg (fz). Van deze vier strata zijn dus afzonderlijke gegevens bekend. De NZa is zelfs nog een stapje verder gegaan door per zorgaanbieder de kostprijs te berekenen. Sira Consulting en Capgemini Invent hebben de gegevens uitgevraagd en geanalyseerd. De uitkomsten heeft de NZa gebruikt om nieuwe tarieven te vormen. Uiteindelijk hebben al deze kostprijzen geleid tot één gezamenlijk tarief voor vrijgevestigden en instellingen.

De NZa heeft een zeer strak tijdschema gehanteerd om tot nieuwe tarieven te komen. Ondanks het feit dat het onderzoek soms problematisch verliep, was falen voor de NZa nooit een optie daar het alternatief zou neerkomen op het indexeren van de huidige tarieven. Gelet op de juridische procedures die lopen, was deze weg niet langer begaanbaar. De NZa is van mening en benadrukt dat het een uitgebreid en grondig onderzoek is geweest.
In hun berichtgeving is de NZa zich er -vanuit haar rol als toezichthouder- blijkbaar wel van bewust dat het weer maximumtarieven betreffen en dat zorgverzekeraars ermee kunnen doen wat ze willen. Bij het bekendmaken van de lagere tarieven roept de NZa zorgverzekeraars dan ook met klem op om bij de inkoop een vergoeding te geven die past bij het zorgaanbod en de context waarin de zorg geleverd wordt. De nieuwe tarieven moeten het uitgangspunt vormen. Een generieke afslag, zoals tot nu toe gebruikelijk, past daar volgens de NZa niet bij. Ze zegt hier op te gaan letten en zorgverzekeraars hier op te willen aanspreken.

 

Het commentaar van de LVVP
De LVVP is betrokken geweest bij het onderzoek naar de kostprijzen en heeft serieuze bedenkingen bij het kostenonderzoek. De tijdsdruk tijdens het kostenonderzoek was zeer groot, waardoor er naar onze mening te weinig ruimte om belangrijke zaken nader te onderzoeken. We hebben verschillende bezwaren.

Bezwaar kostprijzen beroepen
De kostprijzen van de beroepen bestaan uit directe kosten en indirecte kosten.

De directe kosten bestaan voornamelijk uit loonkosten. Voor de vrijgevestigden zijn deze gelijkgesteld aan de loonkosten van dezelfde beroepen in loondienst bij instellingen. Dat vrijgevestigden doorgaans meer ervaren zijn en dus hoger ingeschaald zouden moeten worden, is niet meegenomen door de NZa – terwijl dit makkelijk verifieerbaar was geweest. De LVVP heeft hier herhaaldelijk op gewezen, maar de NZa gaf hieraan geen gehoor. Aangezien deze loonkosten veruit het grootste deel van de tarieven bepalen, kan de invloed hiervan substantieel zijn.

De andere belangrijke kostencomponent is de post ‘indirecte kosten’. Die kosten verschillen sterk tussen een instelling en een vrijgevestigde. Maar wat de verschillen tussen de opbouw van de indirecte kosten zijn, blijft onduidelijk. Ondanks onze vragen daarover hebben we daar nog steeds geen inzicht in.

Onverklaarde resultaten
Daarnaast lieten de cijfers uit het kostprijsonderzoek in verschillende gevallen een onverklaarbaar beeld zien. Resultaten zijn soms zo onlogisch en onverklaarbaar dat je je moet afvragen of de uitkomst wel klopt. De LVVP heeft dan ook twijfels bij de validiteit van de data.

Binnen de groep vrijgevestigden lijken de prijzen fors te variëren afhankelijk van de vorm waarin je de praktijk uitoefent. In een duopraktijk is de gz-psycholoog goedkoper dan in een solopraktijk (gb-ggz). Dat kan. Maar in een groepspraktijk is datzelfde beroep weer duurder dan in een duopraktijk. Dat is merkwaardig, ook omdat voor de psychotherapeut weer iets heel anders geldt. Die zou namelijk fors goedkoper zijn in een groepspraktijk ten opzichte van een duopraktijk. Dat zijn de resultaten in de gb-ggz.

Binnen de g-ggz is het beeld weer heel anders, maar ook niet verklaarbaar. De cijfers zijn dus niet alleen anders dan gedacht, maar ook niet consistent. Terwijl de spreiding van de cijfers in de meeste gevallen wel weer goed lijkt. Het niet kunnen verklaren van bepaalde patronen is alarmerend. Samengevat kunnen we niet anders stellen dan dat de validiteit laag is.De LVVP heeft herhaaldelijk gevraagd nader te beoordelen wát tot deze vreemde resultaten heeft geleid. Een antwoord is tot op heden uitgebleven.

Vertekend beeld gb-ggz
Voor de gb-ggz komt daar nog bij dat de urenregistratie een vertekend beeld geeft. Dat is bekend. Zorgaanbieders registreren hun tijd niet altijd goed. Extra bestede tijd heeft namelijk geen gevolgen voor het product dat gedeclareerd wordt. De opgehaalde gegevens zijn dus niet representatief, maar de tarieven zijn daar wel op gebaseerd. Ook op dit punt is er nog geen actie ondernomen vanuit de NZa.

Onjuiste grondgedachte
Ten slotte hanteert de NZa een verkeerde grondgedachte. De tarieven worden bepaald op basis van kostprijzen. De kostprijzen zijn de werkelijke gemiddelde kosten van de zorgaanbieders in 2017. De NZa verheft die gemiddelde kosten vervolgens tot een maximumtarief. Het gemiddelde wordt daarmee het maximum. Een kenmerk van het gemiddelde is dat een deel van de kosten hoger is en een deel ook lager. Door van dat gemiddelde een maximum te maken, is er alleen maar ruimte voor een tariefontwikkeling naar beneden. Hoger kan niet meer. Het is dus een race naar beneden geworden. Een kaasschaafmethode, maar dan grover, want inkopers bij zorgverzekeraars hanteren daarbij ook nog een afslag op de tarieven van de NZa. Verzekeraars hanteren nu een starttarief van 80% – 83%. Vervolgens zal de zorgaanbieder de kosten proberen te drukken om zijn hoofd boven water te houden; hij moet onder de kostprijs gaan werken. Daarmee daalt het gemiddelde, zodat we over een paar jaar nogmaals een vergelijkbare afslag kunnen verwachten. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de zorgaanbieder, maar natuurlijk ook voor de patiënt. Er is minder geld om zorg te bieden; dat leidt tot minder(e) zorg.

Als doekje voor het bloeden verzoekt de NZa bij het publiceren van haar maximumtarieven de zorgverzekeraars om een tot nu toe gebruikelijk afslag niet toe te passen. Of dit zoden aan de dijk zet, moet maar weer blijken. Vooralsnog is de beste voorspeller van de toekomst het verleden. En die kennen we.

Ook interessant

Heeft u zich al aangemeld voor LVVP-congres?

Nog één maand te gaan tot het LVVP-congres! Hoe bereiden onze sprekers zich voor?

Lees meer

Kom naar het LVVP-congres en kies uit 17 (!) workshops

Naast de markante hoofdsprekers Dirk de Wachter en Stefan van der Stigchel en de ontmoeting met staatssecretar

Lees meer