Over de LVVP

Interview met de vicevoorzitter – mei 2017

Over de nieuwe productstructuur in de ggz

In dit interview legt vicevoorzitter Hans Kamsma uit wat de nieuwe productstructuur inhoudt en wat deze kan betekenen voor de ggz-praktijk.

 

Partijen zijn bezig met de ontwikkeling van een nieuwe productstructuur in zowel de generalistische basis-ggz alsook de gespecialiseerde ggz. Kun je nog eens uitleggen waarom de LVVP hier enthousiast over is?

“Er zijn eigenlijk wel meerdere redenen waarom we als LVVP enthousiast zijn over deze ontwikkeling. De nieuwe productstructuur biedt de mogelijkheid dat de bekostiging veel dichter bij de inhoud komt te staan. Zowel de zorgaanbieders als de patiënten zullen beter snappen wat er op de nota staat en het zal voor hun gevoel ook veel beter overeenkomen met de behandeling die heeft plaatsgevonden dan dat nu het geval is.

Verder zijn we er al lang een groot voorstander van om DSM-classificaties niet te gebruiken voor de bekostiging. Daar zijn ze niet voor bedoeld en daar zijn ze niet geschikt voor. De nieuwe productstructuur geeft veel meer dan nu de gelegenheid om zorg in te delen op zorgvraagzwaarte en deze ook te onderbouwen. De HoNOS+ en de bijbehorende groeiende database helpen de zorgaanbieder en de patiënt daarbij.

Er ligt een grote kans. Het is volgens mij mogelijk om van de gelegenheid gebruik te maken om er één sluitend systeem van te maken. Daarin grijpen de productstructuur, de zorgstandaarden, het op- en afschalen, het ROM’en en het kwaliteitsstatuut op elkaar in. Dat zal de ggz veel eenduidiger en transparanter maken. Dat is niet alleen de grote wens van overheid en zorgverzekeraars, maar zal juist voor ons als beroepsbeoefenaren goed kunnen uitpakken. Voor ons sluiten deze zaken dan beter op elkaar aan. Dat maakt het niet alleen eenvoudiger, maar ook inzichtelijker. De aanbiedersorganisaties hebben de stellingname dat de kwaliteit aan de beroepsbeoefenaren is. En het zijn de beroepsbeoefenaren die de belangrijkste rol spelen in de ontwikkeling van dit systeem dat immers vanuit de inhoud wordt opgebouwd. Het kan bovendien helpen om de neuzen van de belangenorganisaties meer dezelfde kant op te laten wijzen en constructief met elkaar om tafel te zitten om het systeem door te ontwikkelen.”

 

  • Reviews maken een essentieel onderdeel uit van het nieuwe clustermodel. Heeft dat straks ook invloed op je werk als ggz-professional?

“De reviews zijn essentieel in het model. Na een vaste periode, die per zorgcluster kan verschillen, moeten de zorgaanbieder en de patiënt met elkaar om de tafel om met behulp van de HoNOS+ de voortgang te evalueren. Dat mag ook eerder gebeuren dan de voorgeschreven periode, maar niet later. Aan de hand van de uitkomst van die evaluatie stellen behandelaar en patiënt samen vast wat de volgende stap in de behandeling is. Kan er worden afgerond? Moet de behandeling worden voortgezet, eventueel op een lagere intensiteit? Of moet de behandeling juist worden geïntensiveerd? De criteria voor op- en afschalen die de komende tijd worden ontwikkeld, kunnen hier inhoudelijk nog meer ondersteuning aan bieden.

Dat heeft dus zeker invloed op ons werk. We zullen ons meer moeten verantwoorden over het al dan niet voortzetten van een behandeling. Maar we kunnen het ook zien, en zo zie ik het liever, als een hulpmiddel om ervoor te blijven zorgen dat de patiënt de juiste hulp op de juiste plaats krijgt.”

 

  • In 2020 zijn er geen producten en geen dbc’s meer, maar clusters. Hoe wordt er bepaald in welk cluster een patiënt komt?

“Als de ontwikkeling doorgaat zijn er in 2020 niet alleen geen dbc’s meer, maar zullen ook de gb-ggz-producten zijn verdwenen. De hele ggz, inclusief de forensische zorg, zal dan zijn ingedeeld in clusters, 20 stuks voor de curatieve ggz en eentje extra voor de forensische zorg, zoals het er nu naar uitziet.

De clusters zijn een mix van zorgvraagzwaarte en inhoudelijke criteria, bijvoorbeeld wel of geen psychose. Om de behandelaar te helpen bepalen in welk cluster een patiënt komt, is het clustertoeleidingsinstrument in ontwikkeling. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een aangepaste versie van de HoNOS-vragenlijst, aangevuld met een aantal extra vragen. En van een onderliggende database waarin de clustering van een grote groep patiënten in is opgenomen. Omdat dit in Nederland nog in ontwikkeling is en er een eigen database moet worden gebouwd, leunen we daarbij in Nederland nu nog op het model en de gegevens uit Engeland.”

 

  • Hoe gaat het dan in de praktijk?

“De behandelaar beoordeelt de patiënt aan de hand van de HoNOS+vragenlijst. Dit gebeurt in samenspraak met de patiënt. Als de gegevens zijn ingevuld, krijgt de behandelaar te zien wat aan de hand van de database het meest waarschijnlijke cluster is waarin deze patiënt op dat moment valt. Daar zit altijd enige mate van vrijheid in. Voor sommige vragen kan een antwoord voor een bepaald cluster vrij dwingend zijn, voor andere vragen maakt het dan voor dat cluster weer minder uit.”

 

  • Je had het zojuist over een clustertoeleidingsinstrument. Maar hoe verhoudt zich dat tot je eigen klinische blik?

“Het is altijd aan de behandelaar en de patiënt om tot een afgewogen besluit te komen. Het clustertoeleidingsinstrument is daarbij een belangrijk hulpmiddel. De behandelaar zal het wel moeten kunnen motiveren als er voor een ander cluster gekozen wordt. Net zoals dat nu al gebeurt bij het al dan niet volgen van een richtlijn bij de behandeling.

Verder is juist de eigen klinische blik van belang bij het clusteren zelf. Om de vragenlijst goed in te vullen zijn een klinische blik en deskundigheid, alsmede een goed contact met de patiënt noodzakelijk. Dat is een belangrijke reden om de HoNOS+ altijd te laten invullen door de (regie)behandelaar zelf.”

 

  • De wijze waarop de bekostiging en financiering plaatsvindt is nog niet uitgewerkt, maar is er wel aandacht voor de administratieve lasten van dit nieuwe systeem?

“Het terugdringen van de administratieve lasten is van meet af aan een van de basisvoorwaarden voor deze ontwikkeling geweest. De overgang naar een nieuw systeem vergelijk ik vaak met een verhuizing: een prima gelegenheid om oude spullen meteen maar op te ruimen.

We bouwen het model vanuit de inhoud op. Dat betekent een betere aansluiting op onze praktijk. De clustering is daarmee bijvoorbeeld niet alleen een manier om tot bekostiging te komen, maar ook een daadwerkelijk hulpmiddel in de behandelkamer. Zo kunnen we ernaar streven om allerlei dubbelingen uit het systeem te halen. Het punt dat ik eerder noemde, één sluitend systeem, speelt daarin ook een grote rol. Als inhoudelijke zaken in de zorgstandaarden zijn geregeld en het regiebehandelaarschap in het kwaliteitsstatuut, dan kan de bekostiging zelf vrij eenvoudig worden gehouden. Het is denkbaar dat tijdschrijven niet meer nodig zal zijn en dat we weer overgaan naar het declareren van een beperkte set aan activiteiten.

Tegelijkertijd merk ik dat ik dit nog wel een punt van zorg vind. Er is altijd het risico dat al die ‘oude spullen’ uit het vorige huis toch worden meegenomen. Reden dus om hier echt waakzaam op te blijven.”

 

  • Jij bent zelf actief in de ‘werkgroep inhoud’, samen met Ria Mous en Alexandra Sillen. Waar zijn jullie nu mee bezig en wat is jullie inzet/insteek?

“Op dit moment loopt er een aantal zaken. De tweede pilot is net gestart, waarbij zorgaanbieders minimaal een jaar lang naast hun dbc of gb-ggz-registraties nieuwe patiënten ook clusteren door middel van het clustertoegeleidingsinstrument en tegelijkertijd ROM’en. Het clusteren en ROM’en gebeurt aan het begin, tijdens de reviewmomenten en aan het einde. Op deze manier willen we veel data binnenkrijgen om te onderzoeken of en hoe dit nieuwe systeem aansluit op het huidige systeem. We gaan bij de ontwikkeling dus niet over één nacht ijs, we willen geen ‘tekentafelmodel’, maar ook echt onderzoeken of het kan werken.

Nu de pilot goed en wel van start is gegaan, richten we onze aandacht op de set aan behandelactiviteiten die nodig zijn voor de bekostiging. Dat is vooral veel overleg- en denkwerk: welke activiteiten zijn er echt nodig, waarbij tegelijkertijd de hele set zo compact mogelijk wordt gehouden. Het is denk ik begrijpelijk dat bijvoorbeeld ECT niet in termen van gewone behandelconsulten kan worden uitgedrukt.

Daarnaast zijn we regelmatig in overleg met andere organisaties, zoals het Zorginstituut (ZiNL), over de aanspraak op verzekerde zorg en het SBG over de aansluiting met ROM. Ook over de aansluiting van de zorgstandaarden hebben we ons al gebogen, maar hiervoor is meer overleg met het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling nodig.

Wij zitten er actief en enthousiast in. Het is voor ons belangrijk om ons in te zetten voor het gehele model, maar daarbij natuurlijk wel steeds goed op te letten hoe dit uitpakt voor de vrijgevestigde psychologen en psychotherapeuten. Er is in de werkgroep, vind ik ook respect voor elkaars positie. Iedereen kan zich over alle onderwerpen uitspreken, maar als het over psychotische problematiek gaat, kijken we toch meer naar de psychiaters net zoals omgekeerd bij het werk in de vrijgevestigde praktijken meer naar ons wordt gekeken.”

 

  • Er gaat een grote pilot komen. Kunnen leden hier nog aan meedoen?

“Hiervoor noemde ik al dat de tweede grote pilot van start is gegaan. Om goed in beeld te krijgen hoe de nieuwe situatie zich verhoudt tot de huidige heeft de NZa data nodig uit alle geledingen: gb-ggz én g-ggz, vrijgevestigden én instellingen. We willen straks bijvoorbeeld weten in welke clusters we de gb-ggz kunnen ‘vertalen’, welke tarieven de NZa moet berekenen, hoe we het huidige kwaliteitsstatuut en het bijbehorende regiebehandelaarschap moeten omvormen. En de NZa wil alvast bouwen aan een Nederlandse database voor het toegeleidingsinstrument.

Omdat er naast de clustering ook DIS-data aan de NZa moeten worden aangeleverd (en ja, dat is wel wettelijk geborgd…) is het prettig als softwareleveranciers meewerken. Dat voorkomt het dubbel invullen van een aantal zaken. Helaas doen niet alle softwareleveranciers al mee, maar een aantal wel.

Er is een financiële tegemoetkoming van 25 euro per casus en er is de mogelijkheid een gecertificeerde HoNOS+training te volgen. Momenteel vinden gesprekken plaats over uitbreiding van deze vergoedingsregeling.

Om tot een mooi model te komen dat past bij de praktijkvoering van de vrijgevestigde is het dus echt belangrijk om voldoende data van vrijgevestigden in de pilot te krijgen. Daarom nogmaals de oproep om je aan te melden voor de pilot: pggzfz@nza.nl.”

 

  • Je hebt het een aantal keren over ROM. Op dit moment geeft de LVVP aan dat ik weliswaar wel moet ROM’en, maar dat de ggz-professional zijn/haar gegevens niet moet aanleveren aan SBG. Hoe verhoudt zich dat dan tot een eventuele deelname aan een pilot? Want hoe wordt er dan omgegaan met ROM-gegevens?

“De ROM die van belang is voor de pilot is de ROM in zijn meest basale functie: de ondersteuning voor behandelaar en patiënt om de behandeling te monitoren. Dit gaat dus niet over spiegelinformatie of benchmarken. Er ligt een kans om de gevoeligheid van de HoNOS+ voor veranderingen bij de ‘common mental health disorders’ te toetsen door tegelijkertijd te ROM’en met daarvoor gevalideerde instrumenten, zoals de OQ-45. En meteen ervaring op te doen met het tegelijkertijd afnemen van ROM en HoNOS+. De gegevens die hierover worden aangeleverd gaan rechtstreeks naar de NZa en zijn alleen ten behoeve van de pilot. De wettelijke basis voor de aanlevering is gedekt. De gegevens gaan dus niet via SBG. Bij de pilot wordt overigens altijd eerst de vraag gesteld of de patiënt een privacyverklaring heeft. Is dat het geval dan is verder invullen niet mogelijk.”

Recent nieuws

Reminder: korte leden-enquête over praktijkvoering

Heeft u de enquête nog niet ingevuld? Dan vragen wij u om dat alsnog te doen. We hebben de ...

Lees meer

Nieuwe cliëntenfolder 2020

Wat komt er kijken bij een behandeling in de vrijgevestigde ggz-praktijk? Dit heeft de LVVP overzichtelijk op

Lees meer

NZa gaat algemene kortingspercentages door zorgverzekeraars onderzoeken

Afslagpercentages tot wel 20% (!) heel normaal voor vrijgevestigden.

Lees meer